Stijl en grammatica, 59 begrippen

Bij ieder lemma van ‘Stijl en Grammatica’ vind je een verwijzing naar ‘Frida’, ‘Renkema’ of ‘Onze Taal’. Frida Balk-Smit Duyzentkunst heeft Grammatica voor iedereen geschreven en Jan Renkema Schrijfwijzer. Beide staan onder het tabblad ‘Boeken’. Onze Taal is een genootschap met een geweldige website die verschillende verschijnselen in het Nederlands uitlegt.

1  Aangesproken persoon
[zinsdeel, Frida 208]
Het zinsdeel waarin staat wie of wat wordt aangesproken in de zin.

Aan het werk, lapzwansen!
Dames en heren, van harte welkom.

2  Aantonende wijs
[werkwoordsvorm, Frida 111]
De aantonende wijs, of indicatief, is een van de drie wijzen in ons werkwoordelijk systeem. Het komt verreweg het meest voor en heeft een neutraalfeitelijke strekking. Deze werkwoordsvorm toont dus iets aan. Deze vorm komt alleen tot uiting in de persoonsvorm.

Elisabeth schrijft haar naam.
Thijmen speelt piano.

3  Aanvoegende wijs
[werkwoordsvorm, Frida 111]
De aanvoegende wijs, of conjunctief, wordt bijna nooit gebruikt. Het heeft een plechtige toon en heeft een wensende strekking. Het is altijd derde persoon enkelvoud en staat in de tegenwoordige tijd.

Thijmen spele nog tientallen jaren piano!

 Leve de koning!

 

4  Alliteratie
[stijlfiguur, Renkema 139]
Ook wel halfrijm genoemd. Een alliteratie is een opeenvolging van woorden met dezelfde beginklank. Gelijkheid van de beginklank heeft een versterkend effect, ook wanneer de woorden niet naast elkaar staan.

Fris en fruitig
Heerlijk helder Heineken

 

5  Bedrijvende vorm
[werkwoordsvorm, Frida 112, 175]
De bedrijvende vorm is een werkwoordsvorm die actief is. De handelende persoon is het onderwerp van de zin en de persoonsvorm drukt de aard van de handeling uit.

Hilde roept.
Frank zwemt.

(Niet alle actieve zinnen hebben een passieve variant: ‘Frank wordt gezwommen’ is niet correct).

 

6  Beknopte bijzin
[zinsdeel, Renkema 460]
Dit is een bijzin die geen persoonsvorm heeft, maar en infinitief (het hele werkwoord) of deelwoord. Het impliciete onderwerp moet gelijk zijn aan het onderwerp uit de hoofdzin.

 Zingend fietste Hans naar huis.
Producten gemaakt van maïs geven nauwelijks allergieproblemen.

 

7  Bepaling van gesteldheid
[zinsdeel, Frida 201]
Bepaling van gesteldheid, of predicatieve bepaling, bestaat uit één woord dat lijkt op een bijvoeglijk naamwoord in bijwoordfunctie. De bepaling van de gesteldheid zegt iets over de gesteldheid waarin het onderwerp zich verkeert. Zie de volgende verschillen:

Luid zong zij haar lied. (bijwoordelijke bepaling van wijze)
Blozend zong zij haar lied. (bepaling van gesteldheid)
Hij liep snel naar binnen. (bijwoordelijke bepaling van wijze)
Hij liep schuchter naar binnen. (bepaling van de gesteldheid)

Er duidelijk een verschil te zien wanneer het gaat op de gesteldheid van het onderwerp (bepaling van de gesteldheid) en de wijze waarop de handeling wordt uitgevoerd (bijwoordelijke bepaling van wijze).

 

8  Bepalingaankondigend voornaamwoord
[woordsoort, Frida 102]
Er zijn twee bepalingaankondigende voornaamwoorden: degene (diegene) en hetgene (of datgene). Degene en diegene zijn synoniemen van elkaar, maar diegene wordt gebruikt als er meer nadruk moet worden gelegd. Degene en diegene verwijzen altijd naar mensen. Hetgene en datgene zij ook synoniemen en verwijzen naar een situatie of ding.

Als iemand daar meer over weet, verwacht ik diegene zo op mijn kantoor.
Datgene wat fout gaat, moet worden verbeterd.

 

9  Betrekkelijk voornaamwoord
[woordsoort, Frida 97, 135]
Pronomen relativum: woorden die slaan op het onderwerp van de zin. Na het-woorden komt ‘dat’ en na de-woorden komt ‘die’.

De vrouw die bij u aanbelde woont naast ons.
Het huis dat zij kochten is bouwvallig.
De brieven die oom Daan had geschreven schokten ons.

Dan is er ook nog een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent. In zinnen met een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent schuilt een vraag.

Wie wegrent schiet hij neer.
Zij drinkt wat ze lekker vindt.
Hij verkoopt welke hij niet mooi vindt.

Deze pronomen kunnen vervangen worden door constructies als ‘hij die’, ‘alles wat’ en ‘de schilderijen die’.

 

10  Bijvoeglijk naamwoord
[woordsoort, Frida 67]
Het noemt een eigenschap van een zelfstandig naamwoord.

Een blauw gordijn.
Een mooie vaas.

Het-woorden zijn gewone bijvoeglijke naamwoorden en de-woorden worden verbogen: daar komt een ‘e’ achteraan.

Deze woordsoort is onderworpen aan de trappen van vergelijking. Er zijn drie trappen: stellend (klein), vergrotend (kleiner) en overtreffend (kleinst).
Er is ook een verschil tussen predicatief:

Het huis is groot. (bijwoord)

En attributief:

Het grote huis. (bijvoeglijk naamwoord)           

 

11  Bijvoeglijke bepaling
[zinsdeel, Frida 192]
Dit is een zinsdeel zegt iets over het onderwerp en kan op meerdere manieren worden gebruikt:

  • attributief bijvoeglijk naamwoord: een mooi verhaal
  • bijwoord: die man daar
  • voorzetselgroep: de vriendin van mijn broer
  • aanwijzend voornaamwoord: deze dag
  • bezittelijk voornaamwoord: onze koning
  • telwoord: vijf rozen

Hier vind je er 21: https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/bijwoordelijke-bepaling

 

12  Bijwoord
[woordsoort, Frida diverse bladzijden]
Dit woordsoort specificeert plaats, tijd en wijze.

Daar is het huis.
Maria Callas zingt prachtig.

Bijwoord is beweeglijk, behalve het bijwoord van graad: zeer prachtige.

 

13 Bijwoordelijke bepaling
[zinsdeel, Frida 194]
Dit zegt iets over de tijd, plaats of hoedanigheid (de overige negen mag je vergeten).

Zijn zoon trouwende in 1988 met een Italiaanse prinses. (tijd)
Zijn zoon trouwde in Rome met een Italiaanse prinses. (plaats)
Zijn zoon trouwde in allerijl met een Italiaanse prinses. (hoedanigheid of wijze)

 

14  Bijzin
[zinsdeel, Frida 125]
Een zin die niet in z’n eentje kan. Bijzinnen lichten toe wat er in de hoofdzin gebeurt en beginnen met een voegwoord.

De trein ontspoorde doordat de aardbeving de rails had beschadigd.

 

15  Chiasme
[stijlfiguur, Renkema 140]
Een herhaling met omkering: opeenvolgende zinnen of zinsdelen zijn in woordvolgorde elkaar spiegelbeeld. Als je de omgekeerde herhaling onder de originele uitspraak zet, levert dit een kruis op:

onbewoonbaar verklaard (AB)
onverklaarbaar bewoond (BA)

Het beoogde resultaat werd niet behaald.
Het behaalde resultaat was niet beoogd.

 

16  Climax
[stijlfiguur, Renkema 140]
Opsomming die werkt naar een hoogtepunt. Zo komt er meer spanning in een zin.

Uren, dagen, maanden, jaren.

 

17  Consistentie
[dimensie van tekstkwaliteit, Renkema 27]
De schrijver blijft bij zijn/haar keuze voor tekstsoort, aanspreekvorm en stijl.

 

18  Correctheid
[dimensie van tekstkwaliteit, Renkema 28]
De schrijver houdt zich aan de regels voor tekstopbouw, grammatica en spelling.

 

19 Correspondentie
[dimensie van tekstkwaliteit, Renkema 27]
Overeenstemming tussen de doelen van de schrijver en de verwachtingen van de lezers.

 

20  Gebiedende wijs
[werkwoordsvorm, Frida 111]
Imperatief, de gebiedende wijs, zijn veelal te herkennen in gebruiksaanwijzingen, affiches e.d. en in gesproken taal. Het heeft een bevelende of aansporende strekking. De imperatief enkelvoud bestaat uit de stam van het werkwoord. De imperatief meervoud is de stam + t.

Geef mij de papieren! (enkelvoud)
Ga gerust je gang. (enkelvoud)
Komt allen tezamen. (meervoud, archaïsch)
Voeg peper en zout toe. (enkelvoud)

 

21  Gezegde
[zinsdeel, Frida 164]
Ook wel predikaat genoemd. Er zijn twee soorten: werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde. Het eerste bestaat uit een persoonsvorm wordt al dan niet gecombineerd met de andere werkwoordsvormen uit de zin.

De baby lachte.
Eva is professor geworden.
Eva had professor moeten worden.

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit de persoonsvorm plus een zelfstandig, bijvoeglijk of persoonlijk voornaamwoord.

Een hagedis is een reptiel.
Die boom is oud.
Je lijkt mij wel.

 

22  Haplologie
[stijlfiguur, Renkema 315]
Bij twee opeenvolgende, gelijke lettergrepen of woorden van één lettergreep heeft men de neiging er een weg te laten.

Als politicus is het best om nooit nee te zeggen. (‘het’ weggelaten)
Tijdens een halfuur durende vergadering. (‘een’ weggelaten)

 

23  Hoofdzin
[zin, Frida 218]
Een zelfstandige zin die op zichzelf volledig is en betekenis heeft (in tegenstelling tot de bijzin).

 

24  Hulpwerkwoord
[werkwoordsoort, Frida 113]
Een werkwoord dat in combinatie met een andere werkwoordsvorm een bepaalde tijd aangeeft. Werkwoorden die een hulpwerkwoord kunnen zijn:
hebben, zijn, kunnen worden, mogen, moeten, willen, zullen, komen, gaan en blijven.

We hebben gelopen.
We gaan lopen.
We zouden kunnen gaan lopen.

 

25  Hypallage
[stijlfiguur, Renkema 201]
Woordwissel: je koppelt een bijvoeglijk naamwoord aan een ander zelfstandig naamwoord. Daardoor ontstaat een onjuiste combinatie, maar begrijpt men toch wat je bedoelt.

De warme bakker

De bakker is nu warm in plaats van het brood.

 

26 Koppelwerkwoord
[werkwoordsoort, Frida 114]
Werkwoord dat een hoedanigheid koppelt aan een onderwerp. Dit zijn de koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijken, blijven, lijken, schijnen, dunken, heten voorkomen.

Dat zijn vissen.
Het lijken wel spoken.

 

27  Lidwoord
[woordsoort, Frida 49]
‘De’, ‘het’ en ‘een’.

 

28  Lijdend voorwerp
[zinsdeel, Frida 174]
Het deel van de zin dat de handeling ondergaat. Direct object.

Josefien verft de schuur.
Piet werd door Jan gered.

 

29  Lijdende vorm
[werkwoordsvorm, Frida diverse bladzijden]
De aard van de handeling vind je in het voltooid deelwoord. Passivitis = onnodig gebruik van de lijdende vorm.

De maatregel wordt geëffectueerd.
De vaat is afgewassen.

 

30  Meewerkend voorwerp
[zinsdeel, Frida 180]
Het onderwerp van de zin dat meewerkt aan de handeling. Vaak kun je voor dit zinsdeel ‘aan’ of ‘voor’ zetten. Indirect object.

Ik geef hem een boek.

 

31  Naamwoordelijk deel
[zinsdeel, Frida 30]
Het naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde (zie ‘Gezegde’).

Een hagedis is een reptiel.

 

32  Nevenschikkend voegwoord
[woordsoort, Frida 132]
Nevenschikkende voegwoorden verbinden gelijkwaardige onderdelen van een zin of twee hoofdzinnen. Bijvoorbeeld ‘en’, ‘maar’ en ‘of’.

Wil je koffie of thee?
Melk en suiker graag.

 

33 Onbepaald voornaamwoord
[woordsoort, Frida 99]
Een onbepaald voornaamwoord duidt een niet-geïdentificeerde(e) persoon of verschijnsel aan. Iemand, niemand, iets, niets, wat, men, het.

Er heeft iemand opgebeld.
Hij heeft iets gevonden.
Het regent.

 

34  Onderschikkend voegwoord
[woordsoort, Frida 132]
Deze voegwoorden leiden een bijzin.

Ze doet niet mee, maar komt wel kijken.
Ik ga fietsen hoewel ik me niet lekker voel.

 

35 Onderwerp
[zinsdeel, Frida 159]
De mensen, dingen of omstandigheden in de zin die iets zijn of doen. Het onderwerp kan bestaan uit een of meer woorden of uit een zin.

Frank is thuis.
Dat we bestaan, lijkt zinloos.

 

36  Parallellie
[stijlfiguur, Renkema 141]
Opeenvolgende zinnen met dezelfde opbouw.

Gisteren heb ik om vijf uur koffie gedronken. Vandaag heb ik om vijf uur thee besteld.

 

37  Personificatie
[stijlfiguur, Renkema 141]
Zaken of begrippen voorstellen als personen.

Huilende winden
Schuimbekkende golven

 

38  Persoonlijk voornaamwoord
[woordsoort, Frida 88]
Woorden die personen aanduiden: ik, jij, hij zij, wij, jullie zij.

Ze is verlegen.
Wij geven er niet om.

 

39  Persoonsvorm
[zinsdeel, Frida 156]
De vervoegde vorm van het werkwoord, congruent met het onderwerp van de zin.

Josefien slaakt een kreet.
Dat hebben we goed gedaan.

In het tweede voorbeeld is te zien dat de persoonsvorm een deel van het gezegde vormt.

40  Pleonasme
[stijlfiguur, Renkema 123]
Door een bijvoeglijk naamwoord kan een pleonasme ontstaan. Een pleonasme is een stijlfiguur waarin een deel van de betekenis van het woord wordt herhaald.

Witte sneeuw.
Ronde cirkel.

 

41  Tangconstructie
[stijlfout, Renkema 98]
Tussen twee woorden die bij elkaar horen staat een lange bijzin waardoor de zin minder leesbaar is.

In de Biesbosch komt nu eindelijk weer de om zijn bijzondere geurstof, zachte pels en milieuvriendelijke activiteiten zeer gewilde bever voor.

 

42  Tantebetje
[stijlfout, Renkema 205]
Als het onderwerp ten onrechte na de persoonsvorm komt.

Ik lees de zin wel, maar zie ik de fout niet.

 

43  Tautologie
[stijlfiguur, Renkema 124]
In een tautologie wordt de volledige betekenis van een woord nogmaals in een ander woord uitgedrukt.

Altijd en eeuwig
Hoe je het ook wendt of keert

 

44  Telwoord
[woordsoort, Frida 78]
Dit zijn hele getallen; bepaalde hoofdtelwoorden, dus eigenlijk gewoon alle cijfers. Dan is er nog een verschil tussen gelede en ongelede bepaalde hoofdtelwoorden. Ongelede bepaalde hoofdtelwoorden zijn de cijfers een t/m twaalf, twintig, dertig, honderd etc. Gelede bepaalde hoofdtelwoorden zijn samenstellingen daarvan, dus dertien (van drie en tien), eenentachtig (tachtig en een) etc.

Tien vogels zitten in de boom.
Ik ben tweeëntwintig jaar oud.

 

45  Tussenwerpsel
[woordsoort, Frida 138]
Ook wel interjectie genoemd. Het zijn uitspraken of uitroepen die in sommige gevallen als hele zin gezien kunnen worden. In een zakelijke tekst kom je dit niet tegen, in gesproken tekst des te meer.

Jeetje, wat een hoge berg.
Au!
Miauw.
Je hoeft niet op te ruimen, hoor.

 

46 Voegwoord
[woordsoort, 132]
Of conjunctie. Nevenschikkende voegwoorden stellen twee zinsdelen gelijk aan elkaar. de nevenschikkende zijn: en, docht, noch, maar, want en of.

Het is zonnig, maar koud.
Komt ze naar huis of blijft ze weg?
Ik ga terug, want het bevalt me hier niet.

Onderschikkende voegwoorden staan altijd aan het begin van een ondergeschikte of afhankelijke zin.

Hoewel de jenever op is …
We gaan naar huis, omdat we het niet leuk vinden.

Je ziet dat in de ondergeschikte zin de woordvolgorde verandert.

 

47  Voornaamwoord
[woordsoort, Frida 88]
Woord dat personen en zelfstandigheden aanduidt.

  • persoonlijk: zij, ik, wij
  • bezittelijk: haar, mijn, ons
  • aanwijzend: die, deze
  • vragend: wie, wat, welk(e)
  • onbepaald: iemand, niemand, iets, niets, niks, wat, men, het, ‘t
  • wederkerend (pronomen reflexivum): me, mij, je, zich, ons, je, u, zich
  • wederkerig (pronomen relativum): elkaar, elkander
  • betrekkelijk: die, dat
  • bepalingaankondigend: degene, datgene

 

48  Voornaamwoordelijk bijwoord
[woordsoort, Frida 128]
Een geperverteerde voorzetselconstructie. Samengestelde bijwoorden. Combinaties van daar, hier, waar, ergens met op, door, bij.

De boom waarnaar we op zoek zijn.
Goed lezen is daarbij van groot belang.

N.B. Als je naar mensen verwijst, is ‘bij wie’ gepaster dan ‘waarbij’.

De jongen bij wie we op het feestje waren.

 

49 Voorzetsel
[woordsoort, Frida 124]
Prepositie. Het geeft een plaats aan ten opzichte van een andere plaats. Denk aan ‘de kooi’: in de kooi, op de kooi, naar de kooi, achter de kooi, aan de kooi etc.

We zitten in de tuin.
Ik ga naar mijn werk.
Jos staat achter de boom.

50  Voorzetseluitdrukking
[woordgroep, Frida 234]
Een uitdrukking waarbij woorden altijd bij elkaar horen. Het is geen lijdend voorwerp, want niet letterlijk bedoeld.

Hij gaf er de brui aan.
Marco gaf Pieter de bons.

 

51  Voorzetselvoorwerp
[zinsdeel, Frida 185]
Vaste combinatie van voorzetsel en zelfstandig naamwoord.

Ze zocht naar haar poedel.

Als je zoekt naar iets. ‘Zoeken’, ‘naar’ en dat iets zijn dus gezamenlijk het voorzetselvoorwerp. Als je het woordje ‘naar’ er tussenuit haalt, is het geen voorzetselvoorwerp meer, maar dan wordt ‘haar poedel’ en lijdend voorwerp.

 

52  Wederkerend voornaamwoord
[woordsoort, Frida 100]
Pronomen reflexivum. Verwijst naar een eerder genoemd voornaamwoord in de zin.

Maakt u zich geen zorgen.
Ik schrik me rot.
Hij verveelt zich stierlijk.

 

53  Wederkerig voornaamwoord
[woordsoort, Frida 1001]
Pronomen reciprocum. Elkaar en elkander; meer wederkerige voornaamwoorden zijn er niet in het Nederlands.

Ze houden van elkaar.

 

54  Werkwoordelijk uitdrukking
[woordgroep, Frida 233]
Vaste combinatie van een werkwoord en een zelfstandig naamwoord.

De Belgen laten geen steek vallen.

‘Geen steek’ is dus geen lijdend voorwerp.

 

55  Zelfstandig naamwoord
[woordsoort, Frida 54]
Telbaar: huis. En niet telbaar: werk, goud. Ook soortnamen (het hout) of eigennamen (Jan).

 

56  Zelfstandig werkwoord
[werkwoordsoort, Frida 113]
Is en werkwoord dat geen hulpwerkwoord nodig heeft, maar het wel kan hebben.

Jaap schaatst.
Jaap wil schaatsen.

In het tweede voorbeeld is ‘wil’ een hulpwerkwoord en ‘schaatsen’ het hoofdwerkwoord.

 

57  Zeugma
[stijlfout, Renkema 208]
Overspannen samentrekking en dus fout.

Hij sloeg de bocht om en de agent.
Hij werd misselijk en onmiddellijk van het veld gedragen.

De onderstreepte werkwoorden hebben niet dezelfde betekenis en/of functie in het eerste en tweede gedeelte van de zin. Ze kunnen dus niet op die manier gebruikt worden. Het werkwoord moet herhaald worden.

 

58  Zin
[zin, Frida 19-23 en vele andere bladzijden]
Een grammaticaal correcte zin bestaat uit minimaal een onderwerp en een persoonsvorm.

Wij wandelen.

Elliptische zinnen hebben geen persoonsvorm of geen onderwerp.

Hij wel.
Niet opvouwen.

 

59  Zinsdelen
[zinsdeel, Frida 144-147 en vele andere bladzijden]
De bouwstenen van een zin: onderwerp, werkwoord (gezegdes), bepalingen, bijzinnen.